Op een zeer interessante workshop vorige week leerde ik dat pubers net mensen zijn. De VNBE (een brancheorganisatie voor natuurclubs zoals Natuurmonumenten, de landschappen, maar ook natuurbeherende overheden), organiseerde een bijeenkomst ‘omgaan met jongeren in natuur en landschap’.

Deze workshop, onder leiding van coach en cultureel antropoloog Anniek Verhagen, leverde mij een schat van inzichten op. Ik vond het daarom een gemiste kans dat er zo weinig mensen aanwezig waren. Want dit is voor veel meer mensen superwaardevol.

Hopelijk profiteren er meer mensen van deze inzichten via dit blogbericht. Inzichten die trouwens voor het grootste deel ook toepasbaar zijn op volwassenen. Want pubers zijn net mensen!

Foto: 123RF

Neem tijd voor het begin

Veel bevlogen mensen, zoals ik 😉 , denderen vaak te snel door naar de inhoud en besteden weinig aandacht en tijd aan het contact maken met de groep.

Als je meteen instructie of informatie geeft, kunnen mensen niet goed luisteren, aldus Verhagen. Mensen zijn dan bezig met vragen als: ,,Met wie zijn we allemaal en wat gaat er gebeuren.” Pubers hebben dit nog sterker.

Dus deze tips van Verhagen ga ik zeker toepassen:

  1. Bij een groep waar de mensen elkaar nog niet kennen: doe een kennismakingspel in kleinere groepjes van 2-3 personen. Hussel de mensen door elkaar met speelse opdrachten zoals op een rijtje gaan staan aan de hand van je huisnummer of geboortedag/datum. Als je dit buiten doet, en het is koud, kan je dit ook al lopend doen.
  2. Bij een groep die elkaar al kent, maar jij nog niet, heb je met de bestaande hierarchie en groepsdynamiek te maken. Profileer je dan niet meteen als ‘de expert’, want vooral bij pubers kan dit strijd opleveren met de informele leider van de groep. Geef jezelf de tijd om de groep te leren kennen en ga met ze in gesprek.
  3. Geen zin? Erken dit, maar ga er niet in mee. Ga ook niet de strijd aan (‘dan maak je maar zin!’). Kinderen/jongeren hebben er vaak geen zin in, omdat ze niet weten wat ze kunnen verwachten. Stel vragen om de weerstand te onderzoeken. Beweeg een beetje mee. Bijvoorbeeld: klopt het dat je er geen zin in hebt, omdat je er vies van wordt? Erken dat je er inderdaad vies van wordt, maar vraag ook hoe we er dan toch een leuke activiteit van kunnen maken. Of: we hebben vandaag geen school/les, lekker hè? Maar wat gaan we dan wel doen? Spreek verwachtingen uit: ik wil graag dat het een leuke dag wordt, wat is daar voor nodig….Of zeg: ,,OK, dus je hebt er niet zo veel zin in. Dat kan. Ik ben benieuwd hoe het straks is, ik kom zo bij je terug.” Of laat kinderen vrij associëren. ,,Waar denk je aan bij natuur”. Of doe er een opdracht mee: Hoeveel zin hebben jullie erin op een schaal van 1 tot 10, en ga op een rijtje staan op volgorde van hoeveel zin je hebt. Het helpt om iemand die geen zin heeft, een speciale taak te geven. En iemand die echt tegenwerkt, moet je proberen te isoleren.
  4. Enthousiasme is aanstekelijk. Maar het kan natuurlijk voorkomen dat je je dag niet hebt. Steek dan in op de relatie: ik heb mijn dag niet zo. Ken je dat gevoel?
  5. Vertel duidelijk en kort het programma.
  6. Geef daarna een korte instructie:
    • Wat ga je doen
    • Hoe ga je het aanpakken (stap voor stap, vermijd ‘niet’ en ‘geen’)
    • Wat heb je nodig
    • Wie kan/mag jou helpen
    • Tijd: hoeveel tijd heb je?
    • Uitkomst: wat is het resultaat
    • Wat kun je doen als je klaar bent?
  7. Activeer voorkennis van de deelnemers. Bijvoorbeeld wie heeft dit wel eens gedaan? Of wie heeft het wel eens gezien? Of wie kent er iemand die dat heeft gedaan? Dan voelen ze deelnemers zich competent en autonoom.
  8. Wat/waar zijn de grenzen? In een buitenactiviteit zijn de grenzen vaak onduidelijk. Pubers (maar ook jongere kinderen) worden hier onrustig van, ze gaan op zoek naar de grenzen. Dit betekent dus dat je grenzen moet maken: bijvoorbeeld een stuk grond met rood lint afzetten.
  9. Veiligheid: pubers (maar ook kinderen) zijn geneigd om de grenzen op te zoeken, bijvoorbeeld met zagen, takken of slootkanten. Geef hier vooraf aandacht aan. Laat de deelnemers associëren. bijvoorbeeld: wat kunnen we allemaal doen met een tak? Bijv. zwaardvechten? Zeg dat iedereen een stok moet zoeken en dat we over een kwartier gaan zwaardvechten. Zet een bepaald vak uit voor het zwaardvechten. Kinderen die niet (meer) willen, kunnen uit het vak stappen. Op deze manier geef je structuur en grenzen, met ruimte voor het experiment. Geef de kinderen verantwoordelijkheid en vertrouwen. Je hoeft niet alles dicht te timmeren.
  10. Pubers (maar ook andere mensen) zijn gevoelig voor beloning. Schets een beeld van het uiteindelijke doel of resultaat. ,,Hoe mooi zou het zijn als…’’

Tips voor een goede uitvoering

  1. Erken de autonomie van de deelnemer: iedereen mag het op zijn eigen manier doen. Ook bij volwassen vrijwilligers is dit belangrijk. Vooral bij mensen die dit vrijwilligerswerk al jaren doen. Bijvoorbeeld: ,,Wat fijn dat jij die lange ervaring hebt. Als ik iets zie, wat anders is dan ik heb geleerd, zullen we dan even overleggen?”
  2. Meisjes en jongens gedragen zich vaak heel verschillend. Speel hier op in.
    • Stimuleer bij meisjes dat ze iets kunnen.
    • Meisjes vinden opdrachten, waarbij samengewerkt moet worden meestal prettig.
    • Meisjes kunnen elkaar met één blik ‘afmaken’, dit gaat heel subtiel. Als eenmalige begeleider kan je hier niet zo veel mee.
    • Jongens willen (vooral fysiek) laten zien wat ze kunnen en durven. Geef ze, indien mogelijk fysieke uitdagingen, wat grover werk.
    • Jongens duwen en trekken tegen elkaar als vorm van sociale omgang. Vrouwen zien dit vaak ten onrechte als agressie. Stel in plaats daarvan de vraag: ,,Is dit nog leuk?’’ Dan weten de jongens dat je het in de gaten houdt, en ze eventueel naar jou toe kunnen komen als het niet meer leuk is.
    • Jongens worden gestimuleerd door een wedstrijdelement.
    • Een wedstrijdje ‘jongens tegen de meiden’ werkt ook vaak goed.
  3. Corrigeren van ongewenst gedrag: doe dit dichtbij de persoon, zodat het voor anderen niet hoorbaar is. Houd dit (ook) heel kort. Bij gevaarlijke situatie: Stop nu!. Anders: Beschrijf wat je zie zonder oordelen. Ik zie dat je….Geef het gevolg aan: bijv. Ik vind dat gevaarlijk en daarna gewenst gedrag aan. Blijf er niet bij staan, totdat hij/zij doet wat je vraagt. Geef de vrijheid om dit op hun eigen manier te doen.
  4. Geef complimenten hoorbaar voor de hele groep.  Bevestig, bemoedig, complimenteer zodra je de kans krijgt.
  5. Pubers reageren soms extreem emotioneel. Dit gaat niet over jou; ga niet in op wat letterlijk wordt gezegd, maar erken de boosheid of het verdriet door het te benoemen. Pubers reageren vaak agressief uit gevoeligheid en onzekerheid
  6. Pubers kunnen niet zo goed gezichtsuitdrukkingen lezen. Wees helder wat je zegt, en laat dat ook zien.
  7. Als pubers streng en bestraffend worden aangesproken, voelt dat als een echte afwijzing.
  8. Pubers willen erkend worden, maar doen het vaak onhandig. Het zijn vaak de jongens die veel afgewezen worden die wanhopig op zoek naar erkenning zijn.
  9. Geef je deelnemers keuzes, dat motiveert.
  10. Geef het goede voorbeeld en doe wat je zegt.
  11. Ga niet te snel naar je doel toe, maar creëer ruimte en tijd voor ‘klooien’, dit maakt het juist leuk voor pubers (en ook kinderen).

Zorg voor een leuk slot

Pubers (maar ook andere mensen) zijn heel gevoelig voor een beloning. Zorg dan ook voor een leuke beloning aan het eind van de dag of activiteit. Bijvoorbeeld na een natuurwerkdag een kampvuur met marshmellows.