Laatst las ik het boek ‘Sharing Nature’ gelezen, een Nederlandse versie en vertaling van het gelijknamige boek van de Amerikaanse natuurgids en schrijver Joseph Cornell. Ik werd helemaal blij van dit boek. Ik zal hier vertellen waarom.

In dit boek beschrijft Cornell hoe je een goede natuurgids wordt, zodat je ervoor kan zorgen dat kinderen én volwassenen een persoonlijke ervaring in de natuur krijgen, en daarmee een hechte band. Dat is ook mijn doel, maar soms lukt het niet. Met het boek van Cornell in de hand snap ik nu wat er regelmatig mis gaat bij mijn natuuractiviteiten.

Ik wil vaak al dat moois zo graag delen, dat ik er gelijk enthousiast op af storm om het iedereen te laten zien. En dan snap ik niet dat zij dat niet ook prachtig vinden. Of een wonderlijke rups ‘alleen maar’ een vies en eng beest.

Maar, zo beschrijft Cornell, je moet een natuurbeleving nauwgezet inleiden en opbouwen, is zijn idee. Je moet je publiek er eerst voor open stellen.

Een voorbeeld waar het bij mij mis ging. Afgelopen februari, toen ik een kinderexcursie over diersporen zou gaan geven, had het de nacht ervoor gesneeuwd. Een mooi dik pak bedekte het bos. Het zag er sprookjesachtig en veelbelovend uit. De kinderen waren opgewonden, misschien hadden sommigen nog nooit zo’n dik pak gezien.

Met sleetjes en ouders kwamen ze op ons afgerend. Het was een flinke teleurstelling dat én de ouders én de sleetjes niet mee mochten. De kinderen hadden eigenlijk helemaal geen zin in diersporen, maar wilden gewoon lekker in de sneeuw spelen.

Het werd een moeizame excursie, en ik was blij toen die afgelopen was. We hebben sneeuwpoppen gemaakt, sneeuwballen gegooid en zelf ‘Engelsporen’ gemaakt in de sneeuw en nog een paar diersporen gezien. Maar daar hadden ze nauwelijks oog voor.

Foto: Fotolia/isabela66

Nadat ik het boek ‘Sharing Nature’ had gelezen, wist ik wat er mis was gegaan. Wij probeerden de kinderen, tegen de klippen op, meteen, plop, de natuur te laten ervaren. En dat werkt dus niet, zeker niet als er zo’n opgewonden stemming heerst met verse sneeuw.

Cornell verdeelt een buitenactiviteit in 4 fasen:

1.      Enthousiasme stimuleren

2.      Aandacht concentreren

3.      Direct ervaren

4.      Inspiratie delen

De eerste fase, het stimuleren van het enthousiasme moet speels zijn. Een sneeuwpop bouwen, zoals we deden, was dat misschien wel, maar had niet zo veel te maken met het onderwerp: de diersporen.

Wat we beter hadden kunnen doen, was beginnen met een actief spelletje, zoals Kraaien en Uilen. Kort gezegd houdt dit spelletje in dat de kinderen moeten zeggen of een stelling goed of fout is. Bij een foute stelling rennen ze de ene kant op, bij een goede de andere. De ene groep moet ook nog eens de andere proberen te tikken.

Daarna hadden we een activiteit kunnen doen om de aandacht te focussen. Een leuk spel dat Cornell beschrijft, had dan ‘onnatuurlijk spoor’ kunnen zijn. Want ook mensen zijn dieren die sporen achterlaten.

Je zet een stukje afwisselend pad uit met 25 kleine, onnatuurlijke voorwerpen. Die voorwerpen verberg je op verschillende hoogtes, en sommigen kan je bijvoorbeeld alleen zien als je achterom kijkt. De kinderen moeten nu die onnatuurlijke ‘sporen’ zien te vinden.

En pas dan zou het tijd zijn om de échte diersporen te gaan zoeken. Ik durf te wedden dat we er dan meer gevonden hadden! Tot slot hadden we onze vondsten met elkaar kunnen delen. Wat vond jij het leukste spoor van vandaag?

Dus.. ik kan niet wachten om met een groep (kinderen of volwassenen) naar buiten te gaan om de ideeën van Joseph Cornell uit te proberen. Ook zonder sneeuw! Wie biedt?

Sharing Nature, 77 spelvormen voor natuurbewustzijn, is o.a. te verkrijgen via de webwinkel van Earth Games